Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Breda om correctie van zijn geboortedatum in de Basisregistratie Personen (Brp) van 1978 naar 1966, onderbouwd met documenten uit Guinee, waaronder een rechterlijke uitspraak en een paspoort. Het college wees dit verzoek af wegens onvoldoende betrouwbaar bewijs.
De rechtbank beoordeelde of het college terecht het verzoek had afgewezen. De rechter stelde vast dat de huidige geboortedatum in de Brp gebaseerd is op een Verklaring Onder Ede (VOE) bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. De door eiser overgelegde rechterlijke uitspraak uit Guinee was summier en bevatte geen getuigenverklaringen of rechterlijke overwegingen, waardoor het college de betrouwbaarheid betwijfelde.
Ook het Guinese paspoort en de registratie in de burgerlijke stand waren gebaseerd op die rechterlijke uitspraak, waardoor deze documenten geen extra bewijs vormden. De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was om de inhoudelijke betrouwbaarheid van het buitenlandse document te toetsen en dat eiser onvoldoende onomstotelijk bewijs had geleverd dat de geregistreerde geboortedatum onjuist was.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Wel werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift, vastgesteld op €267,00.