Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een inwoner van België, kreeg navorderingsaanslagen opgelegd voor de jaren 2014 tot en met 2016 inzake pensioen- en lijfrente-uitkeringen uit Nederland. De inspecteur baseerde dit op nieuwe informatie uit België over de fiscale behandeling van deze uitkeringen, die in België niet tegen het algemene tarief werden belast.
De rechtbank oordeelde dat deze informatie een nieuw feit vormde dat navordering rechtvaardigt. De hoofdregel in het belastingverdrag met België wijst heffing van lijfrente toe aan de woonstaat, maar onder strikte voorwaarden kan Nederland heffen. De inspecteur mocht aannemen dat de aangiften juist waren, waardoor navordering gerechtvaardigd was.
Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat niet alle relevante informatie was verstrekt. Ook de betwisting van de belastingrente werd verworpen omdat de inspecteur binnen de wettelijke termijnen handelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over 2014-2016 worden ongegrond verklaard.