ECLI:NL:RBZWB:2021:3117

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juni 2021
Publicatiedatum
22 juni 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5930
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 52a AWRArt. 47 AWRArt. 27e AWRAfdeling 8.2.6 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling informatiebeschikking en schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Belanghebbende, voormalig aandeelhouder in meerdere vennootschappen die een fiscale eenheid vormden, werd geconfronteerd met een informatiebeschikking van de inspecteur vanwege het niet verstrekken van informatie over een rekening-courant verhouding.

Na een boekenonderzoek en het opleggen van een navorderingsaanslag, stelde belanghebbende bezwaar tegen de informatiebeschikking en betoogde dat de inspecteur hiermee de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (ABBB) had geschonden, omdat de informatiebeschikking tijdens de bezwaarfase zou zijn ingezet om de beslistermijn op bezwaar op te schorten.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de inspecteur onrechtmatig had gehandeld. Het niet verstrekken van informatie rechtvaardigde het nemen van de informatiebeschikking, die ook een rechtmatig doel diende. De rechtbank stelde belanghebbende een termijn van vier weken om alsnog aan het informatieverzoek te voldoen en wees het beroep af.

Uitkomst: Het beroep tegen de informatiebeschikking wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt vier weken om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/5930
uitspraak van 22 juni 2021
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], domicilie kiezende te [plaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 4 maart 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem afgegeven informatiebeschikking van 26 maart 2019, als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) (kenmerk [kenmerk] ).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2021 te Breda.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, mr. W.A. Velema , verbonden aan Schuth en Koelemaij Advocaten en Belastingadviseurs te Assen , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Beide partijen hebben via digitale weg deelgenomen aan de zitting.

1.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • stelt belanghebbende in de gelegenheid om binnen een termijn van vier weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, aan het informatieverzoek te voldoen.

2.Gronden

2.1.
Belanghebbende was tot oktober 2015 enig aandeelhouder van [BV A] Deze vennootschap hield nagenoeg alle aandelen in [BV B] , die in maart 2015 nagenoeg geheel verkocht zijn.
2.2.
Daarnaast was belanghebbende enig aandeelhouder van [BV C] . in de periode tussen 20 mei 2008 en 24 april 2018. Deze vennootschap hield (onder andere) de aandelen in [BV D] – later [BV E] geheten – in de periode tussen 1 januari 2008 tot 18 mei 2016. Deze twee B.V.'s vormden een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (de fiscale eenheid).
2.3.
De inspecteur heeft bij [BV B] een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting. Hieruit zijn correcties voortgevloeid voor de omzetbelasting. Daarnaast is tijdens het onderzoek een rekening-courant verhouding geconstateerd tussen belanghebbende en de fiscale eenheid (de rekening-courant-verhouding).
2.4.
Bij brief van 29 maart 2018 heeft de inspecteur vragen gesteld aan belanghebbende over de rekening-courant verhouding. Op 24 april 2018 heeft de inspecteur een rappelbrief verstuurd.
2.5.
Aan belanghebbende is met dagtekening 15 oktober 2018 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.6.
Met dagtekening 19 maart 2019, ontvangen door de inspecteur op 20 maart 2019, heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld vanwege het overschrijden van de beslistermijn op bezwaar.
2.7.
De inspecteur heeft met dagtekening 21 maart 2019 nadere vragen gesteld met betrekking tot de rekening-courant, waarbij belanghebbende is verzocht vóór 26 maart 2019 een antwoord te sturen. Belanghebbende heeft bij brief van 25 maart 2019 gereageerd en daarbij verzocht uitspraak op bezwaar te doen zonder nader overleg. De gevraagde informatie is niet verstrekt.
2.8.
De inspecteur heeft aan belanghebbende, met dagtekening 26 maart 2019, een informatiebeschikking afgegeven als bedoeld in artikel 52a van de AWR wegens het niet voldoen aan de informatieverplichting op de voet van artikel 47 van Pro de AWR. Belanghebbende heeft bij brief van 8 april 2019, ontvangen door de inspecteur op 9 april 2019, bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking.
2.9.
Tijdens de bezwaarfase tegen de informatiebeschikking is per e-mail op 16 september 2019 informatie verstrekt door belanghebbende. De inspecteur heeft daarna het standpunt ingenomen dat de gevraagde informatie niet is verstrekt. Dat wat is overgelegd is niet voldoende volgens de inspecteur. Het bezwaar tegen de informatiebeschikking is ongegrond verklaard.
2.10.
In geschil is of de inspecteur bij het afgegeven van de informatiebeschikking in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (ABBB). Niet in geschil is dat belanghebbende de gevraagde informatie tot op heden niet heeft verstrekt.
2.11.
Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met de ABBB, nu hij met het nemen van de informatiebeschikking tijdens de bezwaarfase enkel tot doel heeft gehad de beslistermijn op bezwaar op te schorten teneinde geen dwangsom verschuldigd te worden naar aanleiding van de ingebrekestelling. De inspecteur betwist dit.
2.12.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015 [1] volgt dat de ABBB onder omstandigheden in de weg kunnen staan aan het nemen van een informatiebeschikking tijdens de bezwaarfase. De stelplicht en bewijslast ter zake van feiten en omstandigheden die maken dat de ABBB zijn geschonden rusten op belanghebbende.
2.13.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur in strijd met de ABBB heeft gehandeld door het nemen van een informatiebeschikking tijdens de bezwaarfase. Belanghebbende heeft, hoewel hij gedurende een langere periode in de gelegenheid is gesteld, de gevraagde informatie niet verstrekt. De inspecteur heeft als gevolg hiervan in de bezwaarfase alsnog een informatiebeschikking genomen. Het feit dat het nemen van een informatiebeschikking ook de beslistermijn op bezwaar opschort, brengt als zodanig niet mee dat daardoor de ABBB worden geschonden. Anders dan belanghebbende lijkt te betogen, kan niet worden geoordeeld dat het enige doel van de informatiebeschikking is geweest om de beslistermijn op te schorten. Belanghebbende heeft immers niet alle gevraagde informatie verstrekt, en daarmee heeft het geven van de informatiebeschikking een rechtmatig doel. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn argument dat in een eerdere fase een informatiebeschikking opgelegd had kunnen worden. De wet noopt de inspecteur niet om een informatiebeschikking te nemen zodra de in artikel 52a, eerste lid van de AWR genoemde verplichtingen niet zijn nageleefd. Daarnaast blijkt niet uit de parlementaire geschiedenis dat met de wet is beoogd de onderzoeksbevoegdheden van de inspecteur in de bezwaarfase te beperken [2] .
De stelling van belanghebbende dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play beginsel wegens het ontbreken van uitstel van betaling is, gelet op de betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat in dat kader voorbij aan het algemeen geformuleerde en ongespecificeerde bewijsaanbod uit het beroepschrift.
2.14.
Dat betekent dat de informatiebeschikking in stand blijft. De rechtbank zal op grond van artikel 27e, tweede lid van de AWR een nieuwe termijn stellen voor belanghebbende om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, zoals in de informatiebeschikking is verzocht. De rechtbank stelt de termijn vast op vier weken. Deze termijn vangt aan op de dag van de verzending van deze uitspraak.
2.15.
Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
2.16.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Krishnapillai, griffier, op 22 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Hoge Raad 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2895.
2.Hoge Raad 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2895