Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
De drie zonen hebben in verband daarmee ieder op 28 maart 2014 een persoonlijke houdstervennootschap (hierna: holding) opgericht, waarin zij hun maatschapsaandeel met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 geruisloos hebben ingebracht. Door de drie persoonlijke holdings is, eveneens op 28 maart 2014, een werkmaatschappij opgericht, [B.V.] B.V. (de BV). De drie holdings zijn de aandeelhouders van de BV geworden. Met de uitreiking van de aandelen van de BV heeft een bedrijfsfusie in de zin van artikel 14 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 plaatsgevonden.
3.Geschil en standpunten
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: