ECLI:NL:RBZWB:2021:3312
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake onrechtmatige executie belastingaanslagen
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de inspecteur van de Belastingdienst met betrekking tot aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2017. Verzoeker stelt dat de uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage niet geldig is en dat de uitvoering daarvan door de Belastingdienst onrechtmatig was, wat hij kwalificeert als knevelarij.
De voorzieningenrechter beoordeelt of aan de voorwaarden voor het treffen van een voorlopige voorziening is voldaan, waaronder connexiteit en spoedeisendheid. Hoewel connexiteit is vastgesteld, ontbreekt het aan spoedeisend belang. Verzoeker voert aan dat hij door knevelarij zijn AOW niet kan genieten, maar dit wordt niet aannemelijk geacht als een urgente financiële noodsituatie.
De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wijst het af. De rechtbank benadrukt dat de hoofdzaken, waarin de inhoudelijke beroepen tegen de aanslagen worden behandeld, zonder mondelinge behandeling worden afgedaan en dat verzoeker deze uitspraak kan afwachten. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.