Eiser ontvangt een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op verzoek van een derde is op 1 augustus 2019 executoriaal beslag gelegd op het pensioen van eiser, waarna de Sociale Verzekeringsbank (SVB) maandelijks een bedrag van € 74,69 inhoudt, rekening houdend met de beslagvrije voet.
Eiser betwist de rechtmatigheid van het beslag en stelt dat de beslaglegger een onrechtmatige daad pleegt door beslag te leggen op basis van frauduleuze gegevens. Tevens meent eiser dat de SVB haar eigen verantwoordelijkheid had moeten nemen en de beslaglegging had moeten schorsen in afwachting van een civielrechtelijke procedure.
De SVB stelt dat zij correct heeft gehandeld door uitvoering te geven aan het beslag en dat de beoordeling van de geldigheid van het beslag niet aan haar of de bestuursrechter toekomt. De rechtbank volgt deze lijn en stelt dat de toetsing beperkt is tot de vraag of de SVB binnen het kader van het beslag is gebleven.
De rechtbank oordeelt dat de SVB terecht het bedrag heeft ingehouden over de periode van augustus 2019 tot en met december 2020 en dat eiser zich tot de beslaglegger en/of burgerlijke rechter moet wenden voor de inhoudelijke beoordeling van de schuld. Het beroep wordt ongegrond verklaard.