Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was vennoot in een vennootschap onder firma en hield een buitenlandse bankrekening aan waarvan het vermogen niet was opgegeven in de belastingaangiften over 2008-2014. De inspecteur verzocht herhaaldelijk om informatie over de rekening, waaronder mutatieoverzichten, contante opnamen, stukken over een voorgenomen onderneming in het buitenland en rentegegevens van een lening. Belanghebbende leverde deze niet of onvoldoende aan, met als reden onder meer het ontbreken van documenten door tijdsverloop.
De inspecteur legde daarom een informatiebeschikking op op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Belanghebbende stelde beroep in tegen deze beschikking. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de informatiebeschikking heeft opgelegd omdat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing en belanghebbende niet heeft voldaan aan zijn informatieverplichting.
De rechtbank wijst erop dat het op de weg van belanghebbende lag om de gegevens tijdig te verstrekken en dat het ontbreken van stukken door tijdsverloop voor zijn risico komt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt een termijn van vier weken om alsnog aan het informatieverzoek te voldoen. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de informatiebeschikking wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt vier weken om alsnog aan het informatieverzoek te voldoen.