Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om haar woning voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de vondst van handelshoeveelheden amfetamine en GHB. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was het besluit te nemen en dat het beleid een sluiting van drie maanden rechtvaardigt bij een eerste constatering van harddrugs in een woning.
De voorzieningenrechter beoordeelde of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en concludeerde dat de sluiting proportioneel is, mede gelet op de gevoelens van onveiligheid in de buurt en het belang van handhaving. Verzoekster stelde dat zij niets wist van de drugs en dat de sluiting disproportioneel was, maar dit werd niet aannemelijk geacht omdat de drugs in het zicht lagen en zij als huurder verantwoordelijk is.
Ook de door verzoekster aangevoerde medische kwetsbaarheid en corona-gerelateerde omstandigheden wogen niet zwaarder dan het belang van de buurt bij veiligheid. De schorsing van het besluit werd opgeheven per 25 januari 2021, waarna verzoekster de woning moest verlaten. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.