Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 24 september 2019 vond in een woning te Tilburg een handgemeen plaats waarbij de benadeelde letsel aan zijn hand opliep. Verdachte werd primair verdacht van zware mishandeling met een mes, subsidiair van poging zware mishandeling en meer subsidiair van mishandeling.
De officier van justitie achtte het bewezen dat verdachte met een mes steekbewegingen maakte richting de benadeelde, gebaseerd op verklaringen van de benadeelde en een getuige, medische stukken en een eigen bekentenis van verdachte over de aanwezigheid van een mes. De verdediging voerde aan dat de verklaringen inconsistent en onbetrouwbaar waren en dat het alternatieve scenario van zelfverwonding door de benadeelde aannemelijk was.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van getuige 1 onbetrouwbaar waren vanwege tegenstrijdigheden en het gebruik van verdovende middelen. Getuige 2 bevestigde dat getuige 1 geen eigen waarneming had. De verklaringen van benadeelde en getuige 2 gaven geen duidelijkheid over de oorzaak van het letsel en niemand had een mes gezien. Verdachte ontkende het gebruik van een mes. Hierdoor kon de rechtbank niet vaststellen dat verdachte het letsel had toegebracht met een mes of scherp voorwerp.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat de strafzaak niet tot een veroordeling leidde. De benadeelde partij kan de schadevordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor zware mishandeling met mes; benadeelde partij niet-ontvankelijk in schadevordering.