Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid met drie onroerende zaken, kreeg in december 2014 de kredietfaciliteit van de Rabobank opgezegd. Om executoriale verkoop te voorkomen, sloot zij een overeenkomst met een externe partij, [X], die de financiering onderzocht en uiteindelijk leningen verstrekte en een bankgarantie afgaf, waardoor de opzegging werd ingetrokken.
In 2014 werd een samenwerkingsovereenkomst voorbereid waarin afspraken werden gemaakt over de herontwikkeling van de onroerende zaken en de verdeling van de meeropbrengst boven €5 miljoen. Belanghebbende wilde een verlies van €2,5 miljoen ten laste van haar winst brengen, stellende dat zij economisch verarmde door het afstaan van een winstrecht aan [X].
De rechtbank oordeelt dat het winstrecht een toekomstige zakelijke afspraak betreft die het fiscale resultaat van 2014 niet beïnvloedt. De waarde van de onroerende zaken wordt fiscaal beoordeeld op basis van de boekwaarde, niet de economische waarde. Het verliesvaststellingsverzoek is ongegrond omdat het matchingbeginsel vereist dat toekomstige winsten niet in 2014 als verlies kunnen worden verwerkt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de verliesvaststellingsbeschikking van €11.544 negatief. Er worden geen proceskosten toegewezen.