Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 19 augustus 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Het UWV werpt eiser tegen dat hij niet heeft gemeld dat hij vanaf 1 april 2019 een pensioen ontvangt via [naam bedrijf] , en vanaf 1 maart 2020 een pensioen via [naam stichting] voor de Bouwnijverheid. Volgens het UWV moeten de betreffende inkomsten worden aangemerkt als 'overig inkomen' in de zin van artikel 2:4, eerste lid, sub m, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheids-wetten (AIB), dat op grond van artikel 10, vierde lid, van de IOW volledig in mindering moet worden gebracht op de IOW-uitkering.