Belanghebbende had in haar aangifte inkomstenbelasting 2016 een schuld van €1.667.833 in box 3 opgenomen. De inspecteur vroeg om nadere toelichting op de garantstelling die als schuld was opgevoerd, maar belanghebbende reageerde niet tijdig. De inspecteur corrigeerde daarom de schuld naar nihil en legde een definitieve aanslag op.
Belanghebbende maakte bezwaar en leverde later alsnog stukken aan, waaronder oude vonnissen en documenten over procedures uit de jaren negentig. De inspecteur beoordeelde deze informatie ambtshalve, maar vond dat de stukken onvoldoende aannemelijk maakten dat de schuld op de peildatum 1 januari 2016 nog bestond.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor het aannemelijk maken van de schuld bij belanghebbende lag en dat zij niet had aangetoond dat de schuld in 2016 reëel was. Ook was de behandeling van de aanslag- en bezwaarfase niet correct verlopen, omdat de inspecteur niet de volledige reactietermijnen had afgewacht. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard, maar werd het door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar vergoed.
De rechtbank wees verder het beroep op gewekt vertrouwen af en stelde dat ieder belastingjaar zelfstandig beoordeeld moet worden. Belanghebbende had geen aparte gronden aangevoerd tegen de belastingrente, en de rechtbank vond geen onjuistheid in de toepassing daarvan.
De uitspraak is gedaan door rechter J.M. van der Vegt op 26 augustus 2021 en is openbaar gemaakt via Rechtspraak.nl.