Belanghebbende, erfgenaam van zijn vader, diende voor 2017 aangifte inkomstenbelasting in waarbij hij een grondslag sparen en beleggen van ruim twee miljoen euro aangaf. De inspecteur verhoogde deze grondslag met € 603.331 vanwege drie bankrekeningen op naam van belanghebbende die niet in de aangifte waren opgenomen.
Belanghebbende voerde aan dat hij slechts beheerder was van deze rekeningen in zijn functie als toegevoegd executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van zijn vader, en dat de gelden toebehoorden aan zijn broer of moeder. De rechtbank oordeelde dat de nalatenschap reeds in 2007 was verdeeld en dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij geen rechthebbende was van de rekeningen.
De rechtbank stelde vast dat de rekeningen op naam van belanghebbende stonden en dat hij als rekeninghouder in beginsel genieter is van het voordeel uit sparen en beleggen. De inspecteur heeft de grondslag sparen en beleggen terecht verhoogd. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.