Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, waarin de inspecteur de saldi van drie bankrekeningen op zijn naam in de grondslag sparen en beleggen heeft betrokken. Belanghebbende stelde dat hij slechts beheerder was van deze rekeningen als toegevoegd executeur testamentair en dat de rechthebbende eigenlijk zijn broer of moeder zou zijn vanwege geldvorderingen in het kader van de nalatenschap van zijn overleden vader.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet de rechthebbende is van de bankrekeningen. De functie van toegevoegd executeur testamentair was vóór de peildatum beëindigd en de nalatenschap was verdeeld waarbij de volledige nalatenschap aan moeder was toegekend, met geldvorderingen van de kinderen op moeder. Er waren geen aanwijzingen dat moeder of broer de saldi als rechthebbende konden claimen.
Daarnaast werd niet aannemelijk geacht dat belanghebbende op de peildatum een schuld had aan zijn broer of moeder die in mindering kon worden gebracht op de grondslag sparen en beleggen. Ook eventuele beslaglegging op de rekeningen vóór de peildatum was niet aannemelijk gemaakt en zou geen waardeverminderende factor zijn.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht bleef voor rekening van belanghebbende.