Eiseres vroeg op 1 augustus 2018 aan de minister om aangewezen te worden als opleidingsinstelling voor de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog. De minister wees deze aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan de vereisten, met name het verzorgen van cursorisch onderwijs. Na bezwaar en een herziene aanvraag, bleef de minister bij zijn standpunt en vroeg advies aan de FGzPt, een representatief orgaan dat brancheorganisaties en beroepsverenigingen vertegenwoordigt.
Eiseres betwistte de onafhankelijkheid van de FGzPt en wilde liever advies van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht advies mocht inwinnen bij de FGzPt, die deskundig is en een zorgvuldige werkwijze hanteert. De vermeende belangenverstrengeling werd niet bewezen, mede omdat de FGzPt regels hanteert die verder gaan dan de wettelijke eisen, maar de minister zich bewust is van het onderscheid en hierop toeziet.
De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende beoordelingsruimte heeft en de vergewisplicht nakomt door het advies van de FGzPt kritisch te wegen. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.