Verzoeker is op 7 maart 2021 aangehouden wegens rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 505 µg/l. Het CBR legde hem op 6 april 2021 een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) op, waarbij hij zowel opleggings- als uitvoeringskosten moest betalen. De opleggingskosten betaalde verzoeker tijdig, maar de uitvoeringskosten niet. De factuur voor de uitvoeringskosten werd op 7 mei 2021 zowel per reguliere als aangetekende post verzonden, maar de aangetekende brief werd niet opgehaald en retour gezonden. Verzoeker was in het buitenland en ontving de factuur niet tijdig. Het CBR verklaarde daarop het rijbewijs ongeldig met ingang van 5 augustus 2021.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en dat de gevolgen van de ongeldigverklaring disproportioneel zijn. Na het verzoekschrift werd de EMA vervroegd gepland naar 28 september 2021, zodat hij vanaf 26 oktober 2021 weer kon rijden. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker voldoende spoedeisend belang had, maar dat het niet tijdig betalen van de kosten volledig voor zijn risico komt. Het CBR had geen beleidsruimte om het rijbewijs niet ongeldig te verklaren.
De rechter verwees naar de dwingendrechtelijke bepalingen van artikel 132, tweede lid, WVW 1994 en de Regeling Maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid 2011. De belangenafweging leidde niet tot een voorlopige voorziening omdat de regeling niet evident onevenredig uitpakt en verzoeker geen zeer nijpende financiële situatie aannam. De voorzieningenrechter wees het verzoek af en liet het besluit tot ongeldigverklaring in stand.