ECLI:NL:RVS:2019:1552
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs wegens niet tijdig betalen kosten geschiktheidsonderzoek
Appellant werd op 20 april 2017 aangehouden voor rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 820 µg/l. Eerder was hij in 2014 ook aangehouden met een alcoholgehalte van 475 µg/l. Het CBR verklaarde zijn rijbewijs ongeldig per 24 augustus 2017 omdat appellant de kosten voor een verplicht geschiktheidsonderzoek niet had betaald. Appellant voerde aan dat hij vanwege een WSNP-traject en lage inkomsten niet in staat was de kosten ineens te voldoen en dat hij tevergeefs een betalingsregeling probeerde te treffen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep werd dit oordeel bevestigd. De Afdeling overwoog dat het CBR op grond van artikel 132, tweede lid, WVW 1994 verplicht was het rijbewijs ongeldig te verklaren bij gebrek aan medewerking, waaronder het niet tijdig betalen van de kosten valt. De stelling dat appellant niet wist van de mogelijkheid tot betalingsregeling werd niet gevolgd, omdat hij dit niet met stukken onderbouwde.
Verder werd geoordeeld dat de ongeldigverklaring geen strafrechtelijke maatregel is en dus geen schending van de onschuldpresumptie of het ne bis in idem-beginsel oplevert. De Afdeling wees ook betogen over schending van het zorgvuldigheidsbeginsel af, omdat de beslissing uitsluitend gebaseerd was op het niet betalen van de kosten en niet op belastende strafdossiergegevens.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De ongeldigverklaring van het rijbewijs wegens niet tijdig betalen van de kosten voor het geschiktheidsonderzoek wordt bevestigd.