Belanghebbende werd uitgenodigd om de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 uiterlijk 1 mei 2018 in te dienen, maar deed dit pas op 18 april 2019. De inspecteur legde een verzuimboete van € 369 op, welke bij bezwaar werd gehandhaafd. Belanghebbende stelde dat de hoorplicht was geschonden en dat de boete onterecht en te hoog was.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur voldoende heeft gedaan om belanghebbende te horen, onder meer door uitnodigingen en het aanbieden van een telefonisch gesprek, waarop belanghebbende niet heeft gereageerd. De hoorplicht is daarmee niet geschonden. De boete is terecht opgelegd omdat belanghebbende niet binnen de gestelde termijnen aangifte heeft gedaan en er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld.
Hoewel belanghebbende omstandigheden zoals het hebben van een baby en werkloosheid aanvoerde, zijn deze niet voldoende om de boete te matigen. Wel acht de rechtbank een matiging van 5% passend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar tussen boeteaankondiging en uitspraak. De boete wordt daarom verminderd tot € 350. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de boete verminderd.