Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2021:5294

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 oktober 2021
Publicatiedatum
20 oktober 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 8251
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 25, eerste lid AWRArt. 9 Besluit Fiscaal BestuursrechtArt. 67a, eerste lid AWRparagraaf 21 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzuimboete inkomstenbelasting 2017 en hoorplicht

Belanghebbende werd uitgenodigd om de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 uiterlijk 1 mei 2018 in te dienen, maar deed dit pas op 18 april 2019. De inspecteur legde een verzuimboete van € 369 op, welke bij bezwaar werd gehandhaafd. Belanghebbende stelde dat de hoorplicht was geschonden en dat de boete onterecht en te hoog was.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur voldoende heeft gedaan om belanghebbende te horen, onder meer door uitnodigingen en het aanbieden van een telefonisch gesprek, waarop belanghebbende niet heeft gereageerd. De hoorplicht is daarmee niet geschonden. De boete is terecht opgelegd omdat belanghebbende niet binnen de gestelde termijnen aangifte heeft gedaan en er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Hoewel belanghebbende omstandigheden zoals het hebben van een baby en werkloosheid aanvoerde, zijn deze niet voldoende om de boete te matigen. Wel acht de rechtbank een matiging van 5% passend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar tussen boeteaankondiging en uitspraak. De boete wordt daarom verminderd tot € 350. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de boete verminderd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de verzuimboete verminderd tot € 350 wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/8251
uitspraak van 20 oktober 2021
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 9 juli 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem gelijktijdig met de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017 bij beschikking opgelegde boete van € 369 (aanslagnummer [aanslagnummer] ).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2021 te Breda. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [inspecteur] .
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 18 augustus 2021, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 19 augustus 2021 aan belanghebbende op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de boete tot € 355.

2.Gronden

Feiten
2.1.
Belanghebbende is per brief uitgenodigd om de aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 uiterlijk voor 1 mei 2018 in te dienen. Omdat deze aangifte voor deze datum niet was ingediend is met dagtekening 12 juni 2018 aan belanghebbende een herinneringsbrief gestuurd waarin een uiterste reactiedatum van 26 juni 2018 staat vermeld.
2.2.
Met dagtekening van 8 juli heeft belanghebbende een verzoek om uitstel voor het indienen van de aangifte ingediend.
2.3.
De inspecteur heeft met dagtekening van 13 juli 2018 de aanmaning verzonden, waarin een uiterste reactiedatum van 27 juli 2018 staat vermeld. Tevens is in de aanmaning vermeld dat een verzuimboete kan worden opgelegd indien de aangifte niet binnen voormelde termijn zou zijn ontvangen.
2.4.
Het verzoek om uitstel voor het indienen van de aangifte is per brief met dagtekening 15 augustus 2018 afgewezen.
2.5.
Op 18 april 2019 heeft belanghebbende de aangifte digitaal ingediend.
2.6.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2017 overeenkomstig de aangifte opgelegd. Gelijktijdig met de aanslag is aan belanghebbende bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 369. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard.
Geschil
2.7.
In geschil is de vraag of de hoorplicht is geschonden en of de boete terecht en niet naar een te hoog bedrag is opgelegd.
Ten aanzien van de eerste vraag: de hoorplicht
2.8.
Op grond van artikel 7:2 van Pro de Awb moet een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid stellen om te worden gehoord, alvorens op het bezwaar wordt beslist. In afwijking daarvan bepaalt artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: “AWR”) dat slechts een hoorzitting plaatsvindt indien een belanghebbende daarom verzoekt. Op grond van de eigen beleidsregels ligt het initiatief voor het horen bij de inspecteur [1] .
2.9.
Belanghebbende stelt − naar de rechtbank begrijpt − dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn persoonlijke situatie toe te lichten. De inspecteur heeft belanghebbende echter (meermaals) uitgenodigd om te worden gehoord naar aanleiding van het voornemen tot afwijzen van zijn bezwaar. Belanghebbende heeft daarop voorgesteld om telefonisch buiten kantooruren te worden gehoord. De inspecteur heeft belanghebbende geïnformeerd dat het horen slechts tijdens kantooruren kan plaatsvinden en aan belanghebbende is opnieuw de gelegenheid geboden om te worden gehoord. Belanghebbende heeft hier niet op gereageerd. De inspecteur heeft daarmee voldaan aan zijn verplichtingen. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht dus niet geschonden.
Ten aanzien van de tweede vraag: de verzuimboete
2.10.
Iemand die wordt uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen te doen, moet de aangifte doen binnen de door de inspecteur gestelde termijn. [2] Indien dat niet gebeurt, kan de inspecteur een aanmaning sturen om binnen een door hem gestelde termijn aangifte te doen. Indien de belastingplichtige de aangifte niet binnen de termijn van de aanmaning heeft gedaan, vormt dit een verzuim waarvoor een boete van ten hoogste € 5.278 (tekst 2017) kan worden opgelegd. [3] De inspecteur heeft met toepassing van paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een verzuimboete opgelegd van € 369.
2.11.
Vast staat dat de inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om uiterlijk 27 juli 2018 aangifte te doen. Ook staat vast dat belanghebbende niet binnen die termijn aangifte heeft gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur terecht een boete wegens het te laat doen van aangifte heeft opgelegd. De mate van verwijtbaarheid speelt bij een verzuimboete geen rol, tenzij er sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de aangevoerde feiten in het onderhavige geval daar niet van gebleken.
Het betoog van belanghebbende dat hij het gehele jaar 2017 in het buitenland is geweest, doet niet af aan de verplichting tot het doen van aangifte. Die verplichting ontstaat omdat de inspecteur hem uitgenodigd had om aangifte te doen.
2.12.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de opgelegde boete passend en geboden is. De rechtbank leidt uit de door belanghebbende ingebrachte brieven weliswaar af dat hij een baby heeft en dat hij in 2020 werkloos zou zijn geworden, maar belanghebbende heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat sprake is van slechte financiële omstandigheden. De wetgever heeft verzuimboetes ingevoerd om belastingplichtigen een prikkel te geven om hun wettelijke verplichtingen na te komen, die onafhankelijk van de hoogte van de aanslag worden vastgesteld. De rechtbank acht de verzuimboete van € 369 passend en geboden.
2.13.
De duur van de procedure vormt voor de rechtbank wel aanleiding tot ambtshalve matiging van de boetes, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken. De inspecteur heeft de verzuimboete bij de aanslag IB/PVV 2017 aan belanghebbende kenbaar gemaakt op 5 juni 2019. De rechtbank doet uitspraak op 20 oktober 2021. Sinds de aankondiging van de boete zijn 2 jaren en (afgerond) 5 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van 2 jaar is overschreden met afgerond 5 maanden. De boete bij de aanslag IB/PVV 2017 is daarom verminderd met 5% tot € 350. [4] Dit leidt niet tot een gegrondverklaring van het beroep.
Slotsom
2.14.
Gelet op dat wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard, maar wordt de boete wel verminderd tot € 350.
2.15.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Nandram, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Krishnapillai, griffier, op 20 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Zie paragraaf 9 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht
2.Artikel 9, eerste lid AWR.
3.Artikel 67a, eerste lid AWR.
4.Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298