Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
€ 43.874
€ 391.800
€ 26.177
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in België, heeft een geldlening verstrekt aan een Nederlandse vennootschap, waarop jaarlijks rente werd ontvangen en vanaf 2011 afwaarderingen werden toegepast in de aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur stelde dat de lening onzakelijk is en beperkte de aftrek van afwaardering in de aanslag 2016 tot een voorziening ter grootte van de rente.
Belanghebbende maakte bezwaar en beriep zich op het vertrouwensbeginsel en op schending van EU-verdragsartikelen. De rechtbank oordeelt dat het vertrouwen slechts gold voor een afwaardering ter grootte van de rente en dat de inspecteur zijn standpunt tijdig mocht onderbouwen. De lening wordt als onzakelijk gekwalificeerd vanwege het debiteurenrisico dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.
De rechtbank concludeert dat de afwaardering van € 391.800 niet ten laste van het Nederlandse resultaat uit overige werkzaamheden kan worden gebracht en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2016 wordt ongegrond verklaard omdat de geldlening onzakelijk is en de afwaardering niet aftrekbaar is.