ECLI:NL:HR:2013:BX4018
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- C.B. Bavinck
- C.H.W.M. Sterk
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Toepassing Belastingverdrag Nederland-België op afwaardering vordering aandeelhouder
Belanghebbende, woonachtig in België en enig aandeelhouder van een Nederlandse BV, had in zijn aangifte inkomstenbelasting 2001 een afwaardering van zijn vordering op de BV opgevoerd als verlies uit overige werkzaamheden. De Inspecteur stelde dit verlies niet vast en stelde het verlies op nihil. Zowel de Rechtbank als het Hof verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond en bevestigden de aanslag.
In cassatie betoogde belanghebbende onder meer dat het Hof ten onrechte geen aandacht had besteed aan de verdragsrechtelijke aspecten van het Belastingverdrag Nederland-België 1970. De Hoge Raad overwoog dat de afwaardering van de vordering als een vervreemding moet worden beschouwd in de zin van het verdrag, waardoor het heffingsrecht aan België toekomt.
Daarnaast faalde het beroep van belanghebbende op de Schumacker-doctrine, omdat er geen sprake was van het weigeren van een belastingvoordeel dat in algemene zin verband houdt met fiscale draagkracht. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en legde geen proceskosten op.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de afwaardering van de vordering wordt toegerekend aan België volgens het belastingverdrag.