Belanghebbende werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over de jaren 2013 tot en met 2015. De inspecteur baseerde de aanslagen op kasopstellingen en vermogensvergelijkingen, waarbij contante stortingen op de privérekening en een negatief netto-privé werden aangemerkt als niet-aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen, waarna de inspecteur deels de aanslagen corrigeerde. Tijdens het beroep stelde belanghebbende dat de inspecteur niet alle relevante stukken had overgelegd, waaronder de onderliggende vermogensvergelijkingen en derdenonderzoeken. De rechtbank stelde vast dat deze cruciale stukken ontbraken en dat de inspecteur niet had voldaan aan zijn bewijslast.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende inkomen onjuist had aangegeven en vernietigde daarom de aanslagen en rentebeschikkingen. Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om dwangsommen af, omdat belanghebbende zijn aanspraak daarop had prijsgegeven via een e-mail. Wel kende de rechtbank immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de vergoeding werd verdeeld tussen de inspecteur en de minister.
Tot slot veroordeelde de rechtbank de inspecteur in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door drie rechters en is openbaar gemaakt op 2 september 2021.