ECLI:NL:RBZWB:2021:5619

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 november 2021
Publicatiedatum
5 november 2021
Zaaknummer
AWB- 21_4512 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 13-B Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting pand op grond van de Opiumwet

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester om een pand te sluiten voor zes maanden vanaf 9 april 2021 op grond van artikel 13-B van de Opiumwet. Zij vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening omdat zij hun winkel tijdens de sluiting niet konden exploiteren en daardoor financiële schade zouden lijden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat een financieel belang op zichzelf geen reden is voor het treffen van een voorlopige voorziening, tenzij aannemelijk is gemaakt dat een financiële noodsituatie dreigt. Verzoekers hebben niet onderbouwd dat het voortbestaan van het bedrijf onmiddellijk in gevaar komt. Ook werd het verzoek niet tijdig nader onderbouwd na een verzoek van de rechtbank.

Verder is vastgesteld dat de sluiting van het pand uiterlijk op 7 november 2021 eindigt en verzoekers al een maand na het bestreden besluit hebben gewacht met het vragen om schorsing. De voorzieningenrechter achtte het verzoek onvoldoende spoedeisend en zag geen aanwijzingen dat het besluit evident onrechtmatig is. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het pand wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/4512 OPIUMW VV

uitspraak van 5 november 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekers 1] en [naam verzoeker 2], te [woonplaats verzoekers] , verzoekers,

gemachtigde: mr. S. van Minderhout,
en

de burgemeester van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 21 september 2021 (bestreden besluit) van de burgemeester over de sluiting van een pand aan de [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers] (hierna: pand) per 9 april 2021 voor een periode van 6 maanden. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Bij het primaire besluit van 31 maart 2021 heeft de burgemeester besloten het pand te sluiten voor een periode van 6 maanden met ingang van 9 april 2021. Verzoekers hebben toen op 7 april 2021 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 29 april 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om schorsing van het sluitingsbevel afgewezen, maar door deze procedure is de sluiting van het pand pas op 7 mei 2021 ingegaan. Dit betekent dat de sluiting op 7 november 2021 eindigt.
2.1
Verzoekers hebben de voorzieningenrechter op 21 oktober 2021 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In het verzoekschrift schrijven verzoekers dat zij de uitspraak van de rechtbank in beroep niet af kunnen wachten omdat zij hun winkel gedurende de sluiting niet kunnen exploiteren. De sluiting ontneemt hen het huurrecht en de mogelijkheid om het bedrijf te runnen en/of goederen te verkopen om te voorzien in levensonderhoud. Volgens verzoekers lijden zij hierdoor financiële schade.
2.2
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk dat verzoekers een dermate spoedeisend belang hebben bij het verzoek om een voorlopige voorziening dat zij de uitspraak van de rechtbank in beroep niet af kunnen wachten. Volgens vaste rechtspraak [1] is een financieel belang op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dit ligt anders wanneer aannemelijk is gemaakt dat een financiële noodsituatie dreigt. Verzoekers hebben niet onderbouwd dat het voortbestaan van het bedrijf onmiddellijk in gevaar komt indien zij de uitspraak van de rechtbank af moeten wachten. De rechtbank heeft de gemachtigde van verzoekers op 21 oktober 2021 telefonisch verzocht om dat standpunt nader te onderbouwen, maar daar heeft de rechtbank geen reactie op ontvangen. De voorzieningenrechter acht ook niet aannemelijk dat verzoeker onevenredig financieel nadeel zal ondervinden, omdat de sluiting van het pand voortduurt tot uiterlijk 7 november 2021. Te minder nu het bestreden besluit dateert van 21 september 2021 en verzoekers nog een maand gewacht hebben alvorens om schorsing van het sluitingsbevel te vragen. Indien in (hoger) beroep zal blijken dat de burgemeester het pand ten onrechte heeft gesloten staat het verzoekers vrij om vergoeding van eventueel gederfde inkomsten te vragen.
3. Bij het ontbreken van voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, zoals hier het geval is, bestaat slechts aanleiding voor het niettemin treffen van een voorlopige voorziening indien – ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht – zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de burgemeester ingenomen standpunt juist is en het bestreden besluit in de hoofdzaak in stand zal blijven. Er moet, met andere woorden, sprake zijn van een evident onrechtmatig besluit. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekers hebben aangevoerd geen grond voor dat oordeel.
4. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekers tot het treffen van een voorlopige voorziening zal afwijzen. Gegeven dit oordeel is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 5 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie onder andere ABRvS 21 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:91, r.o. 4.