ECLI:NL:RBZWB:2021:5619
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting pand op grond van de Opiumwet
Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester om een pand te sluiten voor zes maanden vanaf 9 april 2021 op grond van artikel 13-B van de Opiumwet. Zij vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening omdat zij hun winkel tijdens de sluiting niet konden exploiteren en daardoor financiële schade zouden lijden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een financieel belang op zichzelf geen reden is voor het treffen van een voorlopige voorziening, tenzij aannemelijk is gemaakt dat een financiële noodsituatie dreigt. Verzoekers hebben niet onderbouwd dat het voortbestaan van het bedrijf onmiddellijk in gevaar komt. Ook werd het verzoek niet tijdig nader onderbouwd na een verzoek van de rechtbank.
Verder is vastgesteld dat de sluiting van het pand uiterlijk op 7 november 2021 eindigt en verzoekers al een maand na het bestreden besluit hebben gewacht met het vragen om schorsing. De voorzieningenrechter achtte het verzoek onvoldoende spoedeisend en zag geen aanwijzingen dat het besluit evident onrechtmatig is. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het pand wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.