ECLI:NL:RBZWB:2021:5653

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 november 2021
Publicatiedatum
8 november 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 8811
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 225 GemeentewetArtikel 1 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 gemeente BredaArtikel 2 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 gemeente BredaArtikel 6 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 gemeente BredaArtikel 8 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 gemeente Breda
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens parkeren zonder betaling

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Breda omdat haar echtgenoot op een parkeerplek stond zonder te betalen. De rechtbank heeft onderzocht of er sprake was van parkeren of van een uitzondering daarop, zoals onmiddellijk in- of uitstappen van personen of het onmiddellijk laden of lossen van zaken.

De echtgenoot van belanghebbende stelde dat hij slechts even was gestopt om een brief af te geven aan een bekende in een café tegenover de parkeerplek. De rechtbank oordeelde dat een brief niet kan worden aangemerkt als een zaak van enige omvang of gewicht, zodat de uitzondering voor laden en lossen niet van toepassing is. Ook het afgeven van een brief valt niet onder het onmiddellijk in- of uitstappen van personen.

Daarom concludeerde de rechtbank dat het voertuig geparkeerd stond en dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/8811
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 1 november 2021 van de enkelvoudige kamer in het geding tussen

[belanghebbende] wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (belastingsamenwerking West-Brabant),
de heffingsambtenaar.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 augustus 2020 het bezwaar van belanghebbende tegen de opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] (hierna: de naheffingsaanslag) ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2021. Daar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende, haar echtgenoot [naam] die gemachtigd is om namens belanghebbende op te treden en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] .

Overwegingen

1. De echtgenoot van belanghebbende heeft op 2 augustus 2020, een auto van het merk [merk] met het kenteken [kenteken] tot stilstand gebracht aan de Ginnekenweg te Breda. Deze plaats is door de gemeente aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. [1]
2. Tijdens een controle op 2 augustus 2020 omstreeks 17:29 uur is door middel van een scanauto geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting is voldaan. Aan belanghebbende is daarom met dagtekening 5 augustus 2020 de naheffingsaanslag opgelegd. De nageheven belasting bedraagt € 1,13 verhoogd met een bedrag van € 64,50 aan kosten.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of er sprake is van parkeren.
4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van parkeren. Ter onderbouwing voert de echtgenoot van belanghebbende aan dat hij slechts even is gestopt op de parkeerplek om een brief af te geven aan een bekende die zat te wachten in een café tegenover de parkeerplek.
5. Op grond van de wettelijke omschrijving van parkeren, wordt het doen of laten staan van een voertuig gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk laden of lossen van zaken, niet aangemerkt als parkeren. Voor het laden en lossen van zaken is geen parkeerbelasting verschuldigd. Onder het onmiddellijk laden en lossen dient te worden begrepen het – onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht – bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is. [2]
6. Naar het oordeel van de rechtbank kan een brief niet worden aangemerkt als een zaak van enige omvang of gewicht. De uitzondering voor het laden- en lossen van zaken doet zich daarom niet voor. Er is ook geen parkeerbelasting verschuldigd indien de handelingen een onmiddellijk in- of uitstappen van personen vormen. Onder het onmiddellijk in-en uitstappen van personen worden slechts handelingen verstaan die een daadwerkelijk in- of uitstappen vormen. [3] Het gedurende enige tijd achterlaten van een auto op een parkeerplaats voor andere handelingen, zoals het afgeven van een brief, kan daar niet onder worden begrepen. De rechtbank concludeert dat belanghebbende de auto heeft geparkeerd en dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt griffier, op 1 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Bijlage wettelijk kader

Gemeentewet
Artikel 225
(..)
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Breda
Artikel 1
Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; (..)
Artikel 2
Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven:
a. een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; (..)
Artikel 6
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van parkeerapparatuur geschiedt door het met een (mobiele) telefoon of ander toegelaten communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.(..)

Voetnoten

1.Artikel 8 van Pro de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Breda en artikel 1 van Pro het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Breda.
2.Vgl. HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760.
3.Zie bijv. Hof Arnhem 16 juli 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AI1627 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10729.