ECLI:NL:RBZWB:2021:5997

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 november 2021
Publicatiedatum
25 november 2021
Zaaknummer
AWB- 20_10007
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep Participatiewet

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda over de toekenning van een aanvullende uitkering op grond van de Participatiewet. In het primaire besluit werd de uitkering toegekend vanaf 1 januari 2020 in plaats van 1 januari 2019. Tijdens het beroep dienden verzoekers alsnog de gevraagde aanvullende stukken in.

Hierop heeft verweerder bij besluit van 15 september 2021 het bestreden besluit niet gehandhaafd en alsnog de uitkering toegekend vanaf 1 januari 2019. Vervolgens trokken verzoekers het beroep in en verzochten zij om veroordeling van verweerder in de proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat verweerder aan verzoekers is tegemoetgekomen, maar dat verzoekers de aanvullende informatie te laat hebben verstrekt, waardoor het beroep onnodig was. Dit leidt tot een uitzondering op de regel dat proceskosten worden vergoed. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af en ziet ook af van vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen vanwege te late indiening van aanvullende stukken door verzoekers.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/10007 PW
uitspraak van 25 november 2021 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2] te [plaatsnaam] , verzoekers,

gemachtigde: mr. C. van der Ent,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 5 november 2020 (bestreden besluit) van verweerder over de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen het besluit van
10 april 2020 (primair besluit). In het primair besluit is besloten om verzoekers vanaf
1 januari 2020 in plaats van 1 januari 2019 een (aanvullende) uitkering op grond van de Participatiewet toe te kennen.
In beroep hebben verzoekers alsnog de door verweerder verzochte aanvullende stukken ingediend. Bij besluit van 15 september 2021 heeft verweerder bericht het bestreden besluit niet te handhaven en verzoeker en zijn partner alsnog vanaf 1 januari 2019 een (aanvullende) uitkering op grond van de Participatiewet toe te kennen.
Vervolgens hebben verzoekers het beroep ingetrokken, met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft hierop aangegeven zich te conformeren aan het besluit van de rechtbank. Verweerder merkt hierbij op dat verzoekers, zowel voorafgaand aan het primair besluit als aan het bestreden besluit, in de gelegenheid zijn geweest om de aanvullende stukken te overleggen.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 15 september 2021 dat verweerder aan verzoekers is tegemoetgekomen. De rechtbank ziet hierin evenwel geen aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten.
Uit vaste jurisprudentie [1] van de Centrale Raad van Beroep volgt dat een proceskostenvergoeding moet worden toegekend, indien vaststaat dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Dit is anders als er sprake is van bijzondere omstandigheden die liggen in het feit dat de noodzaak om beroep in te stellen uitsluitend te wijten was aan de handelwijze van de betrokkene zelf [2] . Bij een te late verstrekking van de informatie door de betrokkene ligt toewijzing van een proceskostenvergoeding niet voor de hand [3] .
De rechtbank overweegt dat de hiervoor aangegeven uitzondering zich in deze zaak voordoet. Verzoekers hadden verweerder eerder de betreffende informatie kunnen en moeten toesturen. Dit is niet gebeurd, hetgeen voor rekening en risico van verzoekers komt. Weliswaar had verweerder eerder in de beroepsprocedure het op 15 september 2021 genomen besluit kunnen nemen, maar dat doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het voorstaande. Er is dan ook niet voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding van gemaakte proceskosten. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen. Evenmin bestaat er voor verweerder een verplichting om verzoekers het betaalde griffierecht te vergoeden (artikel 8:41, lid 7, van de Awb).

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 25 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.

Voetnoten

1.CRvB 7 juli 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9764.
2.CRvB 16 mei 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX6776.
3.CRvB 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:397.