Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 79.253 -/-
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, enig aandeelhouder en bestuurder van een holdingstructuur, was borg gesteld voor een financiering van een dochtervennootschap die failliet ging. Hij nam een verlies uit overige werkzaamheden (TBS-verlies) in aanmerking, dat de inspecteur afwees wegens onzakelijkheid van de borgtocht.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast was omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende geen loon had aangegeven terwijl de fictief-loonregeling van toepassing was. Belanghebbende slaagde er niet in overtuigend aan te tonen dat een onafhankelijke derde onder vergelijkbare voorwaarden borg zou zijn gestaan zonder winstafhankelijke vergoeding.
Verder was in geschil of een betaling aan een aannemersbedrijf in mindering kon worden gebracht op reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang. Ook hiervoor kon belanghebbende onvoldoende bewijs leveren dat het om een zakelijke lening ging.
De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde de aanslag met correcties op het fictief loon, het niet aftrekken van het TBS-verlies en de reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2014 wordt ongegrond verklaard.