ECLI:NL:RBZWB:2021:6231

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 december 2021
Publicatiedatum
7 december 2021
Zaaknummer
AWB- 21_197
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep bijzondere bijstand dieetkosten

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het beëindigen van haar bijzondere bijstand voor dieetkosten door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg. Na het ongegrond verklaren van haar bezwaar stelde verzoekster beroep in en overhandigde daarbij medische informatie die eerder ontbrak.

Het bestuursorgaan trok daarop het bestreden besluit in en kende een gedeeltelijke tegemoetkoming toe. Verzoekster trok daarop haar beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat hoewel het bestuursorgaan uit coulance tegemoet is gekomen, de late aanlevering van medische stukken door verzoekster de noodzaak van het beroep veroorzaakte. Hierdoor is geen grond voor proceskostenvergoeding aanwezig.

Ook bestaat geen verplichting tot vergoeding van het griffierecht. Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen vanwege te late aanlevering van medische informatie door verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/197

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2021 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [naam woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.J.M. Sanders),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 20 juli 2020 (primair besluit) heeft verweerder de maandelijkse bijzondere bijstand voor dieetkosten met ingang van 1 februari 2020 beëindigd.
In het besluit van 3 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en daarbij medische informatie overgelegd (gedateerd 30 december 2020).
In het besluit van 28 juli 2021 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten dat verzoekster over de periode 1 februari 2020 tot en met
31 januari 2021 een eenmalig bedrag van € 800,- voor dieetkosten krijgt en over de periode 1 februari 2021 tot en met 31 januari 2022 een bedrag van € 66,66 per maand voor dieetkosten krijgt.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat ze zich verzetten tegen een veroordeling in de vergoeding van de proceskosten omdat de aanvraag op juiste gronden was afgewezen. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag is uiteindelijk voldoende informatie verstrekt en is uit coulance ook een vergoeding toegekend over de periode 1 februari 2020 tot en met
31 januari 2021.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 28 juli 2021 dat verweerder aan verzoekster is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank evenwel geen aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.
Uit vaste jurisprudentie [1] van de Centrale Raad van Beroep volgt dat in beginsel een proceskostenvergoeding wordt toegekend, indien vaststaat dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Dit is anders als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het gegeven dat onverplicht en bij wege van coulance is tegemoetgekomen, levert in beginsel niet een dergelijke omstandigheid op [2] .
Wel is daarvan sprake bij omstandigheden die liggen in het feit dat de noodzaak om beroep in te stellen uitsluitend te wijten was aan de handelwijze van de betrokkene zelf [3] . Bij een te late verstrekking van de informatie door de betrokkene ligt toewijzing van een proceskostenvergoeding niet voor de hand [4] .
De rechtbank overweegt dat de hiervoor aangegeven uitzondering zich in deze zaak voordoet. In het medisch advies dat ten grondslag ligt aan het primaire besluit blijkt dat medische informatie dateert uit 2012. Terecht wordt daarom een recent medisch dieetvoorschrift van een behandelaar of diëtist nodig geacht om de verdere noodzaak van de verzochte bijzondere bijstand voor dieetkosten te onderbouwen. Dat was ook al vermeld in een medisch advies van een jaar eerder. Dat medische stuk heeft verzoekster pas in beroep overgelegd. Dat zij dat niet eerder heeft gedaan, komt voor rekening en risico van verzoekster. Er is dan ook niet voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding van gemaakte proceskosten. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen. Evenmin bestaat er voor verweerder een verplichting om verzoekster het betaalde griffierecht te vergoeden (artikel 8:41, lid 7, van de Awb).

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.J.M. Hendrickx, griffier, op 3 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.