Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[naam verzoeker 1], te [plaatsnaam],
de heffingsambtenaar van de gemeente Veere (de heffingsambtenaar), verweerder.
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekers dienden een verzoek in op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) voor documenten over controles bij minicampings in de jaren 2013-2017. Na bezwaar en beroep werd het bezwaar gegrond verklaard, maar de beroepsfase duurde langer dan de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat de coronacrisis een geldige reden vormde voor verlenging van de redelijke termijn met vier maanden, maar dat de totale duur van bezwaar- en beroepsfase met circa een jaar en vier maanden was overschreden. De overschrijding werd volledig toegerekend aan de beroepsfase.
Verzoekers trokken het beroep in, maar verzochten om een immateriële schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding. De rechtbank stelde vast dat verzoekers recht hadden op een vergoeding van €1.500,-, welke gelijkelijk werd verdeeld over de vier verzoekers.
De Staat der Nederlanden werd veroordeeld tot betaling van €375,- per verzoeker als schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure.
Uitkomst: De Staat der Nederlanden is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €375,- per verzoeker wegens overschrijding van de redelijke termijn.