Belanghebbende heeft BPM betaald over een Ford Mustang Coupé, waarbij de inspecteur een naheffingsaanslag oplegde op basis van een hogere CO2-uitstoot dan door belanghebbende opgegeven. De inspecteur baseerde zich op gegevens van de RDW en het Luxemburgse kentekenregister, maar kon geen typegoedkeuring, certificaat van overeenstemming of individuele goedkeuring overleggen.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de CO2-uitstoot berust op een geldige goedkeuring zoals vereist in de Uitvoeringsregeling BPM 1992. De verklaring van de RDW dat de gegevens uit EUCARIS afkomstig zijn, is onvoldoende onderbouwd. Hierdoor faalt de bewijslast van de inspecteur.
De rechtbank stelt de historische bruto BPM vast op het door belanghebbende opgegeven bedrag en vernietigt de naheffingsaanslag en de belastingrente. Tevens kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak is gedaan door rechter M.M. de Werd en griffier R.J.M. de Fouw op 16 februari 2021. De zaak betreft een bestuursrechtelijke procedure over de juiste vaststelling van BPM en de toepassing van artikel 6a van de Uitvoeringsregeling BPM 1992.