Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 13 december 2021 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende] , te [plaats] , belanghebbende
de heffingsambtenaar van de gemeente Hulst, verweerder.
Procesverloop
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een regionale netbeheerder, kreeg een aanslag precariobelasting 2016 opgelegd voor 344.060 strekkende meter elektriciteitskabels. Deze aanslag werd aangevochten met bezwaar en beroep. De rechtbank stelde vast dat in eerdere procedures over de aanslag 2015 tussen dezelfde partijen een contractuele gedoogplicht was vastgesteld door het Hof en bevestigd door de Hoge Raad, waardoor een deel van de kabels niet belast mocht worden.
De heffingsambtenaar voerde aan dat het gezag van gewijsde doorbroken mocht worden vanwege verschillen in meetmethode en derdenwerking, en verwees naar latere jurisprudentie. De rechtbank verwierp dit standpunt en bevestigde dat het gezag van gewijsde beperkt is tot beslissingen over dezelfde rechtsbetrekking en partijen.
De rechtbank concludeerde dat de aanslag precariobelasting 2016 onterecht was gebaseerd op een te grote grondslag en dat de aanslag verminderd moest worden tot een bedrag van € 25.606,70, gebaseerd op 16.310 meter kabels zonder aansluiting en zonder ATO. Tevens werden de proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: De aanslag precariobelasting 2016 wordt verminderd tot € 25.606,70 wegens contractuele gedoogplicht en gezag van gewijsde.