Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
1. Feiten
Ik vertelde hen wat de melding was en dat de bestuurster een blaastest moest afleggen. Op dat moment zei [naam eiser] dat hij naar huis ging. Hij stond op en liep richting de [straatnaam] . Ik liep achter [naam eiser] aan en ik ging voor hem staan. Ik legde hem uit dat hij bij ons moest blijven en dat hij was staande gehouden. Ik legde hem uit dat dit zo was in verband met de melding die bij ons gedaan was. Ik zag dat [naam eiser] bloeddoorlopen ogen had en dat hij onvast ter been was. Ik rook een penetrante alcohollucht bij [naam eiser] . Ik hoorde dat [naam eiser] zei dat hij naar zijn woning ging en niet ging meewerken. Ik hoorde dat hij zei dat hij er niks mee te maken had. Ik legde hem nogmaals uit dat hij was staande gehouden. Ik hoorde dat hij zei dat ik een sukkel was en dat hij naar huis ging. Ik voelde dat hij mij een lichte duw gaf met zijn handen. Daarna probeerde hij door te lopen naar zijn woning. Ik duwde [naam eiser] terug en vertelde hem dat ik zijn identiteitsbewijs wilde zien. Ik hoorde dat hij schreeuwde dat hij die niet bij zich had en dat hij naar huis wilde. Ik zei dat hij moest blijven staan, omdat ik wilde weten wie hij was.
2. Wettelijk kader
3. Standpunten van partijen
Beslissing
- stelt de minister in de gelegenheid om het zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek in de bestreden besluiten te herstellen binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat in deze tussenuitspraak is overwogen;
- draagt de minister op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.