Belanghebbende, huurster van een appartement uit 1995, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €144.000 voor het jaar 2019, stellende dat deze te hoog was en pleitte voor €128.000. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en onderbouwde dit met een taxatierapport uit 2020 waarin de woning op €158.000 werd gewaardeerd, inclusief vergelijkingsobjecten.
De rechtbank oordeelde dat de vergelijkingsobjecten geschikt waren en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen, zoals het bouwjaar, door correcties toe te passen. Hoewel de heffingsambtenaar in bezwaar onvoldoende inzicht had gegeven in de verrekening van VVE-reserves, werd dit motiveringsgebrek in beroep hersteld zonder dat belanghebbende daardoor werd geschaad.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Wel werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van belanghebbende, omdat zij pas in beroep voldoende inzicht kreeg in de waardebepaling. Daarnaast kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan €220 voor rekening van de heffingsambtenaar en €780 voor de Staat.