Verzoekers, beiden met ernstige medische problemen, vroegen het college om een traplift en een tweede toilet op de bovenverdieping van hun woning. Het college kende een traplift toe maar wees het verzoek voor een tweede toilet af, stellende dat een toiletstoel met toiletemmer voldoende en adequaat was. Verzoekers maakten bezwaar en stelden dat zij het reservoir van de toiletstoel niet veilig konden vervoeren met de traplift, wat door de leverancier werd bevestigd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college onvoldoende had onderzocht of verzoekers fysiek in staat waren de toiletemmer te verplaatsen en legen, mede gezien hun medische beperkingen. Het standpunt van het college dat dit van verzoekers kon worden verlangd, werd verworpen. Ook de suggesties van het college om de toiletemmer beneden te legen of de traplift te gebruiken om naar beneden te gaan, werden als onredelijk beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover het het toilet op de bovenverdieping betreft. Het college wordt opgedragen deze voorziening toe te kennen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de zaak hiermee finaal werd afgedaan. Verzoekers krijgen het betaalde griffierecht vergoed, maar niet de kosten van niet-beroepsmatige rechtsbijstand.