ECLI:NL:RBZWB:2021:6532

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 december 2021
Publicatiedatum
21 december 2021
Zaaknummer
AWB- 21_4777 VV en AWB- 21_4778
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 WmoArt. 2.3.2 WmoArt. 8:86 AwbArt. 24 Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Veere 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping afwijzing woonvoorziening Wmo en toekenning toilet op bovenverdieping

Verzoekers, beiden met ernstige medische problemen, vroegen het college om een traplift en een tweede toilet op de bovenverdieping van hun woning. Het college kende een traplift toe maar wees het verzoek voor een tweede toilet af, stellende dat een toiletstoel met toiletemmer voldoende en adequaat was. Verzoekers maakten bezwaar en stelden dat zij het reservoir van de toiletstoel niet veilig konden vervoeren met de traplift, wat door de leverancier werd bevestigd.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college onvoldoende had onderzocht of verzoekers fysiek in staat waren de toiletemmer te verplaatsen en legen, mede gezien hun medische beperkingen. Het standpunt van het college dat dit van verzoekers kon worden verlangd, werd verworpen. Ook de suggesties van het college om de toiletemmer beneden te legen of de traplift te gebruiken om naar beneden te gaan, werden als onredelijk beoordeeld.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover het het toilet op de bovenverdieping betreft. Het college wordt opgedragen deze voorziening toe te kennen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de zaak hiermee finaal werd afgedaan. Verzoekers krijgen het betaalde griffierecht vergoed, maar niet de kosten van niet-beroepsmatige rechtsbijstand.

Uitkomst: Het college wordt opgedragen een woningaanpassing in de vorm van een toilet op de bovenverdieping toe te kennen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/4777 WMO VV en 21/4778 WMO

uitspraak van 21 december 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] en [naam verzoekster], te [woonplaats verzoekers], verzoekers,

gemachtigde: J.P. Zwemer,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere (het college), verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 21 oktober 2021 (het bestreden besluit) van het college over de afwijzing van een woonvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 8 december 2021. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.A.T. Trommelen en E.M.L. Fanchamps.

Feiten en omstandigheden

1. Verzoeker is geboren op 25 april 1935. Er is sprake van medische problematiek: in december 2020 is bij hem de diagnose prostaatkanker gesteld, met uitzaaiingen naar de botten. Hij verliest kracht en is erg vermoeid. Verzoekster is geboren op 28 augustus 1941. Ook zij heeft medische problemen, namelijk acute spierreuma, een schouderfractuur met blijvende bewegingsbeperkingen, evenwichtsproblemen en diabetes.
Verzoekers bewonen een eengezinswoning in [woonplaats verzoekers]. De slaapkamer bevindt zich op de bovenverdieping, het toilet op de begane grond. Mede door hun medische problematiek moeten verzoekers ’s nachts vaak naar het toilet. Zij hebben daarom sinds ongeveer vier jaar als noodoplossing een chemisch toilet op de overloop van de bovenverdieping geplaatst. Het leegmaken daarvan stuit inmiddels op problemen. Verzoekers hebben zich daarom op 19 februari 2021 gemeld bij het college met het verzoek om een traplift en een tweede toilet (sanibroyeur) op de bovenverdieping.
Op 10 maart 2021 heeft ergotherapeut [naam therapeut] een rapport uitgebracht waarin zij stelt dat verzoekers gebaat zijn bij een toilet op de eerste verdieping, omdat de huidige situatie met het chemisch toilet niet meer veilig is. Om gebruik te kunnen blijven maken van de eerste verdieping wordt een traplift geadviseerd.
Op 31 maart 2021 heeft het college een huisbezoek afgelegd bij verzoekers. Bij brief van 7 april 2021 heeft het college het naar aanleiding daarvan opgestelde ondersteuningsplan aan verzoekers toegezonden. In dat plan staat dat het college voornemens is het verzoek om een traplift en een toilet op de bovenverdieping af te wijzen. Gesteld wordt dat verzoekers vanwege progressieve aandoeningen mobiliteitsproblemen ondervinden die hen belemmeren bij het traplopen, bovendien is bij verzoekster sprake van valincidenten (mogelijk als gevolg van hypo’s). Gebruik blijven maken van de eerste verdieping is voor verzoekster niet veilig en niet veilig te maken met een traplift. Een toilet op de bovenverdieping is hierdoor geen oplossing. De huidige situatie met het chemisch toilet is ook niet veilig, aldus het college.
Op 14 april 2021 hebben verzoekers het ondersteuningsplan ondertekend, waarmee een Wmo-aanvraag is ingediend. Bij de ondertekening van dat plan hebben verzoekers aangegeven zich niet in de voorgenomen afwijzingen te kunnen vinden.
Op 4 mei 2021 heeft de ergotherapeut nogmaals een rapport uitgebracht. Daarin stelt zij dat indien er een traplift is, een toilet op de eerste verdieping geen voorwaarde meer is. De woning is met de traplift bewoonbaar voor verzoekers zolang zij een staande transfer kunnen maken. In de begeleidende e-mail bij dit rapport stelt de ergotherapeut dat verzoekers zich kunnen vinden in het gebruik van een toiletstoel boven als er een traplift kan komen.
Bij besluit van 6 mei 2021 (het primaire besluit) heeft het college alsnog een maatwerkvoorziening voor woningaanpassing in de vorm van een traplift toegekend aan verzoekers. Het verzoek tot het realiseren van een tweede toilet op de bovenverdieping is afgewezen, omdat verzoekers met behulp van de traplift het reservoir van een toiletstoel of urinaal kunnen legen. Daarom is er geen verbouwing nodig, aldus het college. Verzoekers hebben hier bezwaar tegen gemaakt.
De adviescommissie bezwaarschriften Veere heeft in het advies van 16 augustus 2021 opgemerkt dat de ergotherapeut alleen onderzoek heeft verricht voordat de traplift was geplaatst. Volgens de commissie dient zij nog te onderzoeken of verzoekers in staat zijn om het reservoir van het chemisch toilet of van een eventuele toiletstoel beneden te legen nu zij een traplift hebben.
Op 28 september 2021 heeft de ergotherapeut per e-mail een aanvullend rapport naar het college gestuurd. In dat rapport stelt zij dat een toiletstoel een adequate voorziening is voor verzoekers, mits voorzien van een toiletemmer en niet van een bedpan. Het plaatsen van de toiletemmer op de traplift is volgens haar goed mogelijk, maar volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant niet gewenst.
In het advies van 4 oktober 2021 stelt de commissie dat ondanks de gebruiksaanwijzing van de traplift uit het onderzoek van de ergotherapeut blijkt dat het voor verzoekers goed mogelijk is het reservoir van een toiletstoel met behulp van de traplift te verplaatsen. Volgens de commissie is dit verantwoord. De toiletstoel kan bij vermindering van de loopfunctie in de slaapkamer worden geplaatst, dat kan bij een sanibroyeur niet. De conclusie luidt dat een toiletstoel voorzien van een toiletemmer in dit geval als meest goedkope en adequate voorziening kan worden aangemerkt.
Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van verzoekers, onder verwijzing naar het advies van de commissie, ongegrond verklaard.

Standpunt verzoekers

2. Verzoekers stellen dat een toiletstoel niet de meest goedkope en adequate voorziening is. De toiletemmer kan niet door middel van de traplift naar de benedenverdieping worden vervoerd om deze te legen, aangezien in de door hen ook overgelegde gebruiksaanwijzing van de traplift staat dat deze nooit mag worden gebruikt om goederen te transporteren. Verzoeker heeft telefonisch van de leverancier van de traplift vernomen dat het vervoer van een reservoir met urine beslist niet is toegestaan, met name vanwege de effecten op de bedrading in het geval er urine uit de emmer zou lopen. Het college houdt hier ten onrechte geen rekening mee. Verder stelt verzoeker dat hij in het geheel niet meer in staat is om het reservoir van boven naar beneden te transporteren. Ook verzoekster ontbreekt het aan de kracht daartoe. De door het college benoemde ‘vermindering van de loopfunctie’ slaat overigens alleen op verzoeker, wiens gezondheid langzaam verslechtert. De sanibroyeur is tevens bedoeld voor de situatie in de toekomst, wanneer verzoekster alleen in het huis zal wonen. Dit is dan ook geen reden om een sanibroyeur af te wijzen. Tot slot overleggen verzoekers een offerte waaruit blijkt dat de kosten voor het aanbrengen van een sanibroyeur € 1.635 bedragen.

Wettelijk kader

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
4. Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Tevens is van toepassing de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Veere 2021 (hierna: de verordening). In artikel 24, achtste lid, van de verordening is bepaald dat als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, het college de goedkoopst, adequate, tijdig beschikbare voorziening verstrekt.

Overwegingen

Spoedeisend belang
5. Gelet op de onder 1 genoemde feiten en omstandigheden ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen.
Inhoudelijk
6. In geschil is of het college het verzoek om een toilet op de bovenverdieping terecht heeft afgewezen.
7. Uit de besluitvorming blijkt dat het college het door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uiteengezette stappenplan zoals genoemd in de uitspraak van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819) heeft gevolgd. De hulpvraag van verzoekers is duidelijk. Zij moeten ‘s nachts vaak naar het toilet en het is voor hen te lastig om daarvoor het toilet op de begane grond te gebruiken. Verzoekers ervaren dan ook beperkingen in hun zelfredzaamheid, welke dienen te worden gecompenseerd.
8. Volgens de vierde stap van het stappenplan van de CRvB dient het onderzoek erop gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Verzoekers hebben de afgelopen vier jaar geprobeerd hun woonprobleem op eigen kracht op te lossen door een chemisch toilet op de overloop van de bovenverdieping te plaatsen. De ergotherapeut geeft in haar rapport van 10 maart 2021 echter aan dat het reservoir van het chemisch toilet zwaar is en dat verzoekers hiermee niet meer veilig de trap af kunnen lopen. Dit staat ook in het ondersteuningsplan. Daarom levert het chemisch toilet geen passende bijdrage meer aan het verbeteren van de situatie van verzoekers. Niet in geschil is dat ook met gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk of een voorliggende (algemene) voorzieningen niet de nodige hulp en ondersteuning kan worden geboden. Een maatwerkvoorziening is dus noodzakelijk.
9. Het college merkt een toiletstoel voorzien van een toiletemmer in dit geval aan als de goedkoopste en meest adequate voorziening als bedoeld in artikel 24, achtste lid van de verordening. Niet in geschil is dat verzoekers medisch gezien in staat zijn om gebruik te maken van een toiletstoel. De vraag die voorligt is of zij ook in staat zijn de toiletemmer te verplaatsen en beneden te legen. Volgens het college is dat het geval en kunnen verzoekers dit met behulp van de traplift. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit echter niet worden opgemaakt uit het onderzoek van de ergotherapeut van 28 september 2021: daaruit blijkt enkel dat een (half gevulde) pan met water (zonder morsen) kan worden verplaatst met de traplift. Verzoeker heeft er echter op gewezen dat in de gebruiksaanwijzing van de traplift staat dat deze nooit gebruikt mag worden om goederen te vervoeren. Dit betekent dat goederen, waaronder ook een pan met water en een emmer met urine moeten worden verstaan, niet apart met de lift naar beneden mogen worden getransporteerd. Verzoeker stelt dat de leverancier van de traplift ook telefonisch heeft aangegeven dat dit niet is toegestaan. Ter zitting is gebleken dat de leverancier dit ook telefonisch aan het college heeft laten weten.
10. De voorzieningenrechter neemt aan dat goederen wel met de traplift kunnen worden verplaatst als de gebruiker van de traplift deze goed en veilig in zijn of haar handen kan houden. Uit rechtspraak van de CRvB volgt ook dat in principe gevergd kan worden dat een toiletemmer op deze manier naar beneden vervoerd wordt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 mei 2017 ECLI:NL:CRVB:2017:1971). In dit geval heeft het onderzoek van de ergotherapeut van 28 september 2021 zich echter niet gericht op de fysieke mogelijkheden van verzoekers om een (in de nacht door twee personen gevulde) toiletemmer naar de traplift te tillen, vast te houden op de traplift, en vervolgens beneden van de traplift naar het toilet te tillen en te legen. Het college heeft de stelling dat verzoeker hiertoe niet meer in staat is niet betwist. Zoals reeds vermeld, kampt verzoekster met acute spierreuma, een schouderfractuur met blijvende bewegingsbeperkingen en evenwichtsproblemen en is sprake van valincidenten. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het college onder deze omstandigheden niet heeft kunnen concluderen dat het transporteren en legen van de toiletemmer met behulp van de traplift van verzoekers gevergd kan worden.
11. Ter zitting heeft het college gesteld dat verzoekers ’s nachts eventueel ook met behulp van de traplift beneden naar het toilet kunnen gaan of de toiletemmer in de wasbak van de badkamer op de bovenverdieping kunnen legen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan ook dit eerste, gelet op de medische problematiek van verzoekers, en dit laatste, uit hygiënisch oogpunt, niet van hen gevergd worden.
12. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een toiletstoel met toiletemmer in dit geval de meest adequate voorziening is. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat er een woningaanpassing in de vorm van een toilet (al dan niet een sanibroyeur) op de bovenverdieping wordt toegekend. Het college dient over te gaan tot nadere besluitvorming met betrekking tot de overige zaken rondom het realiseren van deze woningaanpassing. Omdat de zaak hiermee finaal wordt afgedaan, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
13. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de voorzieningenrechter dat het college aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht voor zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening vergoedt.
14. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers een formulier proceskosten overgelegd, waarin verzocht wordt om vergoeding van de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Er is een nota bijgevoegd waarin de gemachtigde van verzoekers € 112 aan arbeidsuren (7 arbeidsuren x € 16) en € 21 aan portokosten declareert. Daarnaast wordt verzocht om vergoeding van € 5,40 aan reiskosten.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers zich niet hebben laten vertegenwoordigen door een professionele rechtshulpverlener. Hun gemachtigde is een freelance historicus en tekstadviseur. Ter zitting heeft hij ook aangegeven dat hij eenmalig en enkel op verzoek van verzoekers als gemachtigde optreedt in deze procedure. Nu uit artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht volgt dat uitsluitend de kosten van beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt het verzoek om het college te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit voor zover daarin het verzoek tot het realiseren van een toilet op de bovenverdieping is afgewezen en bepaalt dat er een woningaanpassing in de vorm van een toilet (al dan niet een sanibroyeur) op de bovenverdieping wordt toegekend;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van in totaal € 98 (2 x € 49) aan verzoekers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 21 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.