Eiser, voormalig logistiek medewerker en heftruckchauffeur, vroeg een WIA-uitkering aan na uitval wegens fysieke klachten. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid volgens hun berekening 31,43% bedroeg, onder de vereiste 35%.
Eiser betwistte de geschiktheid van de functies die het UWV gebruikte voor de arbeidsongeschiktheidsberekening, maar de rechtbank vond de motivering van het UWV voldoende. De arbeidsdeskundige had rekening gehouden met de beperkingen van eiser en de functies passend bevonden.
De rechtbank volgde de uitleg dat lichte overschrijdingen in frequentie van handelingen gecompenseerd kunnen worden door kortere afstanden en dat trillingsbelasting in de functies niet relevant was. Omdat eiser geen voldoende gronden tegen de berekening aanvoerde, concludeerde de rechtbank dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.