ECLI:NL:RBZWB:2021:818
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslaglegging op WAO-uitkering binnen beslagvrije voet
Eiser ontvangt een WAO-uitkering waarop de Belastingdienst beslag heeft gelegd wegens een openstaande motorrijtuigenbelastingvordering over 2015 en 2016. Het UWV heeft besloten om vanaf 1 januari 2020 de uitkering te beperken tot de beslagvrije voet van €856 per maand, het meerdere wordt aan de Belastingdienst betaald. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde onder meer dat de inhouding te hoog is en dat hij niet is gehoord.
De rechtbank stelt vast dat het UWV eiser de mogelijkheid heeft geboden om gehoord te worden, maar dat eiser hier geen gebruik van heeft gemaakt. De rechtbank wijst erop dat het UWV niet bevoegd is om de geldigheid van het beslag te beoordelen; dit is een taak voor de burgerlijke rechter. De bestuursrechter toetst alleen of het UWV binnen het kader van het beslag is gebleven.
De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht is uitgegaan van de door de Belastingdienst vastgestelde beslagvrije voet en dat eiser zich tot de Belastingdienst moet wenden als hij het niet eens is met de hoogte van de inhouding. Ter zitting is gebleken dat de schuld inmiddels is voldaan. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het UWV-besluit tot inhouding op de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard.