ECLI:NL:RBZWB:2021:887
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens evident foute besluitvorming en onbetrouwbaarheid
De korpschef heeft op 14 oktober 2019 de aan eiser verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten ingetrokken. Eiser voerde aan dat hij in de periode 2014-2019 niet als beveiliger maar als sfeerbeheerder werkte, waardoor artikel 7 van Pro de Wpbr niet op hem van toepassing zou zijn. De korpschef stelde dat eiser meermalen zonder de vereiste toestemming als beveiliger heeft gewerkt, waaronder op 20 januari 2019.
De rechtbank oordeelde dat de korpschef terecht heeft geoordeeld dat de verleende toestemming evident fout was toegekend, omdat eiser in de betreffende periode beveiligingswerkzaamheden verrichtte zonder toestemming. Incidenten van 9 juni en 10 augustus 2019, waarbij eiser zonder geldige toestemming beveiligingswerkzaamheden verrichtte, ondersteunen dit oordeel. De stelling van eiser dat hij niet verantwoordelijk was voor het melden van zijn werkzaamheden en dat hij wel over een beveiligingspas beschikte, werd verworpen.
De rechtbank concludeerde dat de korpschef bevoegd was de toestemming in te trekken op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wordt ongegrond verklaard.