Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een zedenzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje dat aan zijn zorg was toevertrouwd. De tenlastelegging betrof primair seksueel binnendringen en subsidiair andere ontuchtige handelingen in de periode van 2014 tot 2018.
Tijdens de zitting op 15 februari 2022 werden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging besproken. De officier van justitie achtte het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gebaseerd op de verklaring van het slachtoffer en enkele getuigenverklaringen. De verdediging voerde aan dat de verklaring van het slachtoffer onvoldoende betrouwbaar was en niet ondersteund werd door objectief bewijs, waardoor het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro niet werd gehaald.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar was, mede ondersteund door eerdere verklaringen en omstandigheden rondom het seksueel misbruik van de zus van het slachtoffer. Echter, de overige getuigenverklaringen waren onvoldoende concreet en afkomstig uit dezelfde bron, waardoor ze geen steunbewijs vormden. Er ontbrak derhalve voldoende aanvullend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen werden afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat verdachte was vrijgesproken. De benadeelde partijen werd geadviseerd hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aan te brengen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor de tenlastegelegde ontuchtige handelingen.