De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van gewoontewitwassen en witwassen van grote geldbedragen. De zaak kende een uitzonderlijke overschrijding van de redelijke termijn van bijna tien jaar, maar dit leidde niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
De rechtbank oordeelde dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het geld dat zij van haar ex-partner ontving en in bewaring hield, afkomstig was uit misdrijf. Hoewel zij aanvankelijk mocht vertrouwen op een legitieme herkomst, had zij vanaf 8 april 2010 vragen moeten stellen over de herkomst van het geld, mede gezien de betrokkenheid van haar ex-partner bij drugshandel.
Het bewezen verklaarde witwasbedrag bedroeg €19.522,50 voor de periode vanaf 8 april 2010 tot 23 mei 2012, en €80.590,90 in contanten die zij in bewaring hield. De rechtbank veroordeelde haar tot een gevangenisstraf van drie dagen, gelijk aan het voorarrest, met een forse strafvermindering vanwege de lange termijnoverschrijding. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten.