Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
3.Beoordeling van het geschil
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2011 tot en met 2014. De inspecteur wees deze bezwaren af. Belanghebbende stelde dat tijdig beroep was ingesteld, maar de rechtbank stelde vast dat geen tijdig beroep was ontvangen binnen de wettelijke termijn van zes weken na de uitspraak op bezwaar.
De rechtbank onderzocht of sprake was van verschoonbare termijnoverschrijding, maar oordeelde dat de overschrijding niet verschoonbaar was omdat belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor het bewaken van de termijn en fouten van de gemachtigde voor zijn rekening komen. Voor de aanslagen 2015 was geen bezwaar gemaakt, waardoor het beroep daarop eveneens niet-ontvankelijk was.
Belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank stelde dat de redelijke termijn van 18 maanden niet was overschreden. Daarom werd dit verzoek afgewezen. De rechtbank kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de aanslagen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.