Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was professioneel mountainbiker voor het [X] team en sloot met dit team twee overeenkomsten voor de periode 2013 tot en met 2015, waaronder een wielerovereenkomst en een sponsorcontract. De kern van het geschil betrof de kwalificatie van de inkomsten uit zijn mountainbike-activiteiten in 2015. Belanghebbende gaf aanvankelijk aan dat deze inkomsten winst uit onderneming waren, maar wijzigde dit standpunt tijdens de zitting naar resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur kwalificeerde de inkomsten als loon uit dienstbetrekking.
De rechtbank paste de rangorderegeling van artikel 2.14 lid 1 Wet IB 2001 toe en beoordeelde of sprake was van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst volgens artikel 7:610 BW Pro. De toets bestond uit een subjectieve beoordeling van de rechten en verplichtingen uit de contracten en de intentie van partijen, gevolgd door een objectieve beoordeling van alle omstandigheden, waaronder de feitelijke uitvoering.
De rechtbank concludeerde dat er een gezagsverhouding bestond, omdat belanghebbende zich moest houden aan regels en voorschriften van het team, zoals het volgen van een sportprogramma, het uitvoeren van performance tests, het verschijnen op teamlocaties en het prioriteren van teamwedstrijden. Ook moest hij sponsor- en promotieactiviteiten uitvoeren onder goedkeuring van het team en werden testresultaten gedeeld. Hoewel belanghebbende enige vrijheid had in trainingsschema en begeleiding, was het team bevoegd instructies te geven en controle uit te oefenen.
De argumenten van belanghebbende, zoals het bestaan van twee contracten en de mogelijkheid tot eenzijdige opzegging, waren onvoldoende om het bestaan van een gezagsverhouding te ontkennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2015 als loon uit dienstbetrekking.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en kwalificeert de inkomsten als loon uit dienstbetrekking.