ECLI:NL:RBZWB:2022:1576

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 april 2022
Publicatiedatum
30 maart 2022
Zaaknummer
AWB 19/2314
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 AwbArt. 3 lid 2 BpbArt. 8:41 lid 7 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling inspecteur tot vergoeding proceskosten na intrekking beroep naheffingsaanslag omzetbelasting 2012

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van proceskosten in verband met de intrekking van het beroep tegen de voor 2012 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting en de daarbij opgelegde boete. De inspecteur erkende dat vergoeding mogelijk is op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank stelde vast dat de zaak samenhangt met meerdere andere zaken, zowel in bezwaar als in beroep, waarbij werkzaamheden nagenoeg identiek waren en besluiten deels zijn herroepen. Voor de bezwaarfase werd de reeds toegekende vergoeding gehandhaafd. Voor de beroepsfase werd een vergoeding vastgesteld van €1.138,50 voor alle samenhangende beroepen, waarvan aan de onderhavige zaak een vijfde deel van €227,70 werd toegekend.

De rechtbank wees een vergoeding voor overige proceshandelingen af omdat deze door een andere persoon dan de rechtsbijstandverlener waren verricht. Verder werd vastgesteld dat griffierecht niet vergoed kan worden via deze procedure, maar dat de inspecteur dit uit eigen beweging moet vergoeden. De inspecteur werd veroordeeld tot betaling van €227,70 aan proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: De inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van €227,70 aan proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 19/2314
uitspraak van 6 april 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a in verbinding met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,
en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

Betreft

Het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:75a Awb om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten.

Motivering

1.1.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van proceskosten in verband met de intrekking van het beroep betreffende de voor het jaar 2012 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting en de bij beschikking opgelegde boete.
1.2.
De inspecteur heeft meegedeeld dat proceskosten kunnen worden vergoed op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
1.3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaak in bezwaar samenhangt in de zin van artikel 3, lid 2, Bbp met de zaken met nummers 19/2315 tot en met 19/2317, in totaal 4 zaken. Die 4 zaken hebben betrekking op naheffingsaanslagen omzetbelasting die aan belanghebbende en [vof] zijn opgelegd. Dit betreffen bezwaren die gelijktijdig zijn behandeld en waarvan de werkzaamheden nagenoeg identiek konden zijn en de bestreden besluiten (gedeeltelijk) zijn herroepen.
1.3.2.
De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaak in beroep samenhangt in de zin van artikel 3, lid 2, Bbp met de zaken met nummers 18/7490 tot en met 18/7494, nummers 18/7821 tot en met 18/7828, nummers 18/7829 tot en met 18/7836 en nummers 19/2315 en 19/2317, in totaal 24 zaken. Dit betreffen beroepen die gelijktijdig zijn behandeld en waarvan de werkzaamheden nagenoeg konden identiek zijn en de beroepen in die zaken zijn gegrond verklaard.
1.4.1.
Voor de bezwaarfase stelt de rechtbank vast dat de vergoeding die in totaal voor de 4 samenhangende zaken dient te worden toegekend lager is dan hetgeen in de bezwaarfase al is toegekend (€ 254 plus € 381). De rechtbank laat daarom de beslissing van de inspecteur over de proceskostenvergoeding in stand.
1.4.2.
Voor de beroepsfase stelt de rechtbank de vergoeding vast op € 1.138,50 (1 punt wegens rechtsbijstand tijdens de zitting à € 759, een factor 1 wegens het gewicht van de zaken en een factor 1,5 wegens samenhang). Deze vergoeding wordt toegekend voor alle beroepen die tegelijkertijd zijn behandeld. Aan de onderhavige beroepen wordt daarvan 1/5 toegekend, zijnde € 227,70. De overige delen worden toegekend aan [BV] (nummers 18/7490 tot en met 18/7494), [persoon] (nummers 18/7821 tot en met 18/7828), belanghebbende (nummers 18/7829 tot en met 18/7836) en [vof] (nummers 19/2315 en 19/2317).
1.5.
Voor toekenning van een vergoeding voor overige proceshandelingen ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat deze handelingen, bestaande uit het opstellen van de schriftelijke processtukken, door [persoon] zijn verricht en dus niet door de rechtsbijstandverlener (zie HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439, BNB 2017/109).
1.6.
Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.
1.7.
Belanghebbende heeft voor de behandeling voor de rechtbank € 174 griffierecht betaald. De wet biedt niet de mogelijkheid om in deze procedure de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van griffierecht. De inspecteur moet dat echter wel uit zichzelf doen (artikel 8:41, lid 7, Awb).

Beslissing

De rechtbank:
- laat de beslissing van de inspecteur over de kostenvergoeding in bezwaar in stand; en
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 227,70.
Deze uitspraak is gedaan door A. van Dongen, voorzitter, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek, rechters, in aanwezigheid van N. Veenstra, griffier, op 6 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
N. Veenstra A. van Dongen
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 8:55, derde lid en artikel 8:106, eerste lid Awb).