ECLI:NL:RBZWB:2022:1829
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen aanslag forensenbelasting wegens hoofdverblijfkwestie ongegrond verklaard
Belanghebbende is erfpachter van een gemeubileerde woning in de gemeente Schouwen-Duiveland en stond sinds december 2018 ingeschreven op dat adres. De heffingsambtenaar legde voor 2019 een aanslag forensenbelasting op, gebaseerd op het feit dat belanghebbende zonder hoofdverblijf in de gemeente meer dan negentig dagen een gemeubileerde woning ter beschikking hield.
De kern van het geschil betrof de vraag waar belanghebbende haar hoofdverblijf had. De rechtbank oordeelde dat de inschrijving in de basisregistratie personen niet doorslaggevend is, maar dat het middelpunt van iemands leven bepalend is. Uit een plaatselijke opname en gegevens over verhuur bleek dat belanghebbende de woning niet als hoofdverblijf gebruikte, terwijl haar gezinsleden elders stonden ingeschreven.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar hoofdverblijf in de woning was. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Wel werd een immateriële schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van circa negen maanden. Daarnaast werd de Staat veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag forensenbelasting wordt ongegrond verklaard en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.