Belanghebbende kreeg naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd over de jaren 2014 tot en met 2017 vanwege een te hoog toegekende premiekorting. De kern van het geschil betrof de vraag of de premiekorting berekend moest worden op basis van het aantal daadwerkelijk verloonde uren of op de vaste overeengekomen arbeidsduur in de arbeidsovereenkomsten.
De rechtbank stelde vast dat de schriftelijke arbeidsovereenkomsten en de toepasselijke CAO duidelijk voorschrijven dat het aantal arbeidsuren vastligt en schriftelijk moet worden vastgelegd. Het woord 'tenminste' in de contracten duidt volgens de rechtbank slechts op de mogelijkheid tot meerwerk, maar niet op een flexibele arbeidsduur. Mondelinge afspraken die hiervan zouden afwijken achtte de rechtbank niet aannemelijk.
Verder verwierp de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat werknemers met een nuluren- of min-maxcontract juridisch en feitelijk verschillen van werknemers met een vaste arbeidsduur. De rechtbank kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de Minister in de proceskosten en griffierecht.
De beroepen van belanghebbende werden ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen werden bevestigd.