De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 31 maart 2022 een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere oplichtingsfeiten en witwassen in de periode 2018-2020. De tenlastelegging betrof oplichting van verzekeringsmaatschappijen, woonstichtingen en autoverhuurbedrijven, alsmede witwassen van de opbrengsten hiervan.
Tijdens de zitting op 17 maart 2022 presenteerden zowel de officier van justitie als de verdediging hun standpunten. De officier van justitie achtte verdachte schuldig aan oplichting van verzekeringsmaatschappijen, woonstichtingen en witwassen, maar niet aan oplichting van autoverhuurbedrijven. De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was voor medeplegen en dat verdachte geen oogmerk had op wederrechtelijke bevoordeling.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, en dat verdachte geen significante bijdrage had geleverd aan de oplichtingsfeiten. Ook was niet bewezen dat verdachte wist van de criminele herkomst van het witgewassen geld. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
De vorderingen van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte was vrijgesproken. De rechtbank bepaalde dat deze vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.