Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 1 november 2019, waarin haar een Wajong-uitkering werd geweigerd. De rechtbank behandelde het beroep op 11 mei 2021 en gaf het UWV bij tussenuitspraak van 21 juni 2021 de gelegenheid om een motiveringsgebrek te herstellen. Het UWV diende een aanvullende motivering in, waarin het standpunt werd ingenomen dat eiseres over basale werknemersvaardigheden beschikt.
Eiseres betoogde dat het UWV het motiveringsgebrek niet had hersteld en dat de gewijzigde grondslag in haar nadeel was, wat volgens haar een reformatio in peius opleverde. De rechtbank oordeelde dat het UWV het gebrek niet had hersteld en dat de motivering onvoldoende was onderbouwd, met name omdat de conclusies over de stage bij een gastouderopvang onvoldoende concreet waren en niet duidelijk was welke werkzaamheden eiseres verrichtte.
De rechtbank stelde vast dat eiseres op de datum in geding niet over basale werknemersvaardigheden beschikte en dat het UWV niet voldeed aan de zwaardere motiveringsplicht bij grondslagwijziging. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het griffierecht vergoed en het UWV veroordeeld in de proceskosten.