Uitspraak
19 512 WAJONG
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
S.B. Smit-Colenbrander als leden, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2021.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1995, lijdt sinds haar jeugd aan een nieraandoening en psychische problematiek. Zij vroeg een Wajong-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat zij volgens het UWV over arbeidsvermogen beschikt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde vast dat zij ondanks haar beperkingen kan werken, onder meer met ondersteuning zoals een vervoersvoorziening.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder dat het UWV haar problematiek onderschat en dat zij niet in staat zou zijn om aaneengesloten te werken. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat er geen medische aanwijzingen zijn die het ontbreken van arbeidsvermogen ondersteunen. Het verzuimrisico werd door het UWV juist ingeschat op minder dan 20%.
De Raad oordeelde ook dat het verbod van reformatio in peius niet is geschonden, omdat het bezwaar niet leidde tot een nadeligere positie voor appellante. Gezien de onderbouwde bevindingen van het UWV en de rechtbank is het hoger beroep ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.