Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
[naam kind 1],
[naam kind 2]en
[naam kind 3]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser, geboren in 1966 en houder van de Congolese nationaliteit, diende op 30 juni 2020 een verzoek tot naturalisatie in voor zichzelf en zijn drie minderjarige kinderen. Dit verzoek werd aanvankelijk afgewezen op grond van een ernstig vermoeden dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormde vanwege een lopende proeftijd bij een voorwaardelijk sepot.
Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank behandelde het beroep en stelde vast dat het bestuursorgaan het beleid correct had toegepast door het voorwaardelijk sepot als grond voor afwijzing te hanteren. De aangevoerde stellingen van eiser over het ontbreken van een veroordeling en het lichte karakter van het vergrijp konden dit niet veranderen.
Echter, de rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op de door eiser aangedragen bijzondere omstandigheden, zoals het definitieve sepot en het belang van de kinderen, die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze bijzondere omstandigheden.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager op 26 april 2022 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van bijzondere omstandigheden.