ECLI:NL:RBZWB:2022:2398
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid echtscheidingsverzoek wegens niet-tijdige betekening aan andere echtgenoot
De vrouw heeft bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend, maar het verzoekschrift is niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van veertien dagen aan de man betekend. De betekening vond pas vier weken na indiening plaats, wat te laat is volgens artikel 816 lid 1 Rv Pro. Daarnaast is het originele betekeningsexploot niet binnen de vier weken na inschrijving van het verzoekschrift ter griffie overgelegd, zoals vereist in het Procesreglement Scheiding.
De rechtbank overweegt dat de artikelen 120 en 121 Rv niet van overeenkomstige toepassing kunnen zijn om de termijnoverschrijding te herstellen, omdat herstel van een te late betekening niet mogelijk is. Het niet tijdig betekenen van het verzoekschrift is een ontvankelijkheidsvereiste, waardoor het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De rechtbank weegt ook de belangen van hoor en wederhoor mee en verwijst naar een recente uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:481). In deze zaak is er echter geen aanwijzing dat de man op andere wijze tijdig op de hoogte was van het verzoek tot echtscheiding. De vrouw heeft geen klemmende redenen aangevoerd voor de late betekening. Daarom wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard zonder mondelinge behandeling. De vrouw kan een nieuw verzoek indienen met inachtneming van de termijnen.
Uitkomst: De vrouw is niet-ontvankelijk verklaard in haar echtscheidingsverzoek wegens niet-tijdige betekening aan de man.