Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
3.Proceskostenvergoeding
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende deed aangifte BPM voor een Volvo XC60 met een naheffingsaanslag van €879 opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betrof de hoogte van de historische nieuwprijs en de waardevermindering wegens schade. Belanghebbende stelde dat de historische nieuwprijs moest worden berekend op basis van netto catalogusprijs vermeerderd met BTW en BPM, en dat een hogere CO2-uitstoot de nieuwprijs verhoogde. De inspecteur baseerde zich op de koerslijst van Xray en hanteerde een hogere historische bruto BPM.
De rechtbank oordeelde dat de historische nieuwprijs conform de koerslijst van Xray vastgesteld moet worden op €59.090, en dat een verhoging van de nieuwprijs vanwege een hogere CO2-uitstoot niet juist is omdat dit leidt tot een kunstmatige afschrijving. Voor de schadewaardering oordeelde de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, mede gelet op de foto’s en de betwisting van de inspecteur.
De rechtbank stelde de verschuldigde BPM vast op €4.595, verminderd met een extra leeftijdskorting van €541. De naheffingsaanslag mocht niet hoger zijn dan het oorspronkelijk opgelegde bedrag. De inspecteur mocht in beroep een beroep doen op interne compensatie omdat bij de aanslag ten onrechte volledige schadewaardering was meegenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de naheffingsaanslag. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de naheffingsaanslag BPM en verklaart het beroep ongegrond.