Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €236.000,- voor het kalenderjaar 2020, en stelde een lagere waarde van €211.000,- voor. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde na bezwaar. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde voldoende heeft onderbouwd met een taxatierapport, een matrix met vergelijkingsobjecten en marktontwikkelingsgegevens. De vergelijkingsmethode werd correct toegepast, waarbij rekening is gehouden met verschillen in grootte en kenmerken tussen de woning en referentieobjecten. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde te hoog is.
Daarnaast stelde belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van 24 maanden voor de behandeling van bezwaar en beroep. De rechtbank constateerde een overschrijding van 2 maanden en kende een vergoeding van €500,- toe. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €541,- en het griffierecht van €48,-.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de vergoeding toe. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.