ECLI:NL:RBZWB:2022:2746
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestuurlijke boete wegens overtreden meststoffenwet
Verzoekster, een maatschap, maakte bezwaar tegen een besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij drie bestuurlijke boetes werden opgelegd ter hoogte van in totaal € 24.721,20 wegens overtredingen van de meststoffenwet. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de invordering van de boetes op te schorten, omdat zij vreest dat betaling zonder rechtmatigheidsbeoordeling onomkeerbare gevolgen voor haar onderneming kan hebben.
De minister was bereid de inning aan te houden indien verzoekster haar verzoek introk en zelf de proceskosten en griffierecht zou betalen. Verzoekster wilde dit alleen doen als de minister deze kosten zou vergoeden. De voorzieningenrechter stelde vast dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht een zitting achterwege kon blijven.
De voorzieningenrechter overwoog dat uit jurisprudentie volgt dat een bestuursrechter niet verplicht is een voorlopige voorziening te treffen die invordering opschort zolang de boete niet onherroepelijk is, tenzij bijzondere omstandigheden dat vereisen. In deze zaak zijn dergelijke bijzondere omstandigheden niet gesteld. Verzoekster kan de uitkomst van de bodemprocedure afwachten en gebruik maken van een betalingsregeling.
Daarom is het spoedeisend belang niet aannemelijk gemaakt en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Ook is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot schorsing van de bestuurlijke boetes wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.